Contactadres:
Beusekamplaan 30
7241 HC LOCHEM
[Logo Historisch Genootschap]

[Stadhuis Lochem]



Monumenten

Lees en bekijk ook de twee andere artikelen over historische boerderijen:
Rond Verwolde en Laren | Rond de Velhorst en Zwiep


Boerderijen, inleiding

door CeesJan Frank

Het buitengebied van Lochem is rijk aan historische boerderijen. Men vindt ze op de oude enkgronden, in de jongere broekontginningen en ook op de vele landgoederen in onze gemeente. In dit verhaal krijgt u een beeld van dit bijzondere erfgoed.

Typen

Vrijwel alle historische boerderijen rond Lochem vertonen opvallende overeenkomsten in hun hoofdvorm, opzet en constructie. Het is het traditionele hallehuistype dat hier al eeuwen het vrijwel enige toegepaste type is. De hallehuisboerderij, in de literatuur over historische boerderijbouw ook wel “saksische boerderij” genoemd, is dan ook karakteristiek voor grote delen van oostelijk Nederland en noordwest Duitsland. Iedere streek kende echter zijn eigen variaties.
Binnen het vastliggende kader van de typische kenmerken van een hallehuisboerderij ontstonden namelijk in de loop der tijd verschillende varianten, een proces dat bepaald werd door tijd, landschappelijke verschillen, invloeden van buiten de regio, geleidelijke veranderingen in de bedrijfsvoering en plaatselijke verschillen in traditie en smaak.

Hallehuisboerderijen

Het hallehuis staat als type dicht bij de oervorm van de boerderij in grote delen van noordwest Europa.

basisvorm hallehuisboerderijDe oudste boer­de­rijen waren geheel van hout en hadden meestal een min of meer recht­hoekige of taps toelopende lang­gerekte platte­grond. Twee rijen houten palen ver­deel­den de ruimte in drie paral­lelle beuken, waarvan de middelste meestal het breedste was. Deze palen (de stijlen) vormden ook de onder­steuning van de hout­con­struc­tie van het grote, met riet of stro gedekte dak. Balk­verbin­dingen in lengte- en dwars­richting zorgden voor de ver­stevi­ging van de con­struc­tie. De zijgevels waren vaak zeer laag en voorzien van lemen of houten wanden.
Het woon­gedeelte was aanvankelijk nog niet door een dwars­muur gescheiden van het stal­gedeelte. Dit type wordt ook wel “los hoes” genoemd. Gaandeweg ontstond uit dit gebouwtype de traditionele halle­huis­boerderij, in allerlei plaatse­lijke varianten en uit­voe­ringen. Het bouwtype kon zeer flexibel worden toegepast. Het was geschikt voor de kleinste land­arbeiders­woningen, maar ook voor de grote heren­boerde­rijen.

Kenmerken

Karakteristiek voor de hallehuisboerderij zoals we die nu nog aantreffen, is de eenvoudige hoofdvorm met rechthoekige plattegrond, de lage zijgevels en het hoog opgaande steile zadeldak, dat in de meer open landschappen van wolfeinden werd voorzien (korte dakschilden boven voor- en achtergevel). Hierdoor waren ze meer gestroomlijnd en minder kwetsbaar voor de harde wind. In de meer bosrijke streken en gebieden waar de traditie van een zeer intensieve erfbeplanting met windsingels bleef bestaan, bleven de hoge (houten) windgevoelige topgevels in zwang, zoals ook in het besloten coulissenlandschap van Twente en de omgeving van Winterswijk. Het grote boerderijdak is gedekt met riet of pannen of combinaties daarvan. De sobere bakstenen gevels bezitten heel soms nog restanten van oudere vakwerkconstructies.
In het bedrijfsgedeelte (de deel) is de driebeukige indeling van het hallehuis goed herkenbaar. De smalle zijbeuksruimten zijn in gebruik als veestalling, de bredere middendeel is toegankelijk via een brede dubbele deeldeur in de achtergevel van de boerderij. Het woongedeelte wordt van de stal gescheiden door een brandmuur, die tegelijkertijd diende als achterwand voor de grote haardplaats in het woongedeelte.

Oudste boerderijen

De oudste hallehuisboerderijen in de gemeente Lochem dateren in aanleg soms nog uit de late Middeleeuwen. Vaak zijn het de gebintconstructies, die vele eeuwen hebben getrotseerd en de historische kern vormen van de steeds weer gemoderniseerde “buitenschil”. Eeuwenlang waren de gevels als vakwerkconstructies opgezet, maar hiervan zijn in de gemeente Lochem voor zover bekend geen voorbeelden overgebleven.
Aanvankelijk waren de vakken tussen de houten stijlen en regels gevuld met vlechtwerk en afgestreken met leem. Vooral vanaf de achttiende eeuw vond een geleidelijke maar onstuitbare verstening van de gevels plaats. Vakwerkgevels maakten plaats voor geheel stenen muren of de met vlechtwerk gevulde vakken werden nu voorzien van bakstenen. Nieuwe boerderijen werden vanaf de late achttiende eeuw steeds vaker geheel in steen opgetrokken, maar de houten gebintconstructies bleven de kern vormen van de boerderijen. Tot ver in de twintigste eeuw werden ze toegepast, waarbij in constructief opzicht maar weinig veranderde. Wel verdrong grenen- en populierenhout langzamerhand het schaarser wordende eikenhout en vervingen ijzeren pennen en manchetten geleidelijk aan de houten toognagels, waarmee de houtverbindingen werden verankerd.

Veranderingen

Vanaf het einde van de negentiende eeuw werden de meeste oude hallehuisboerderijen aangepast aan de veranderende ideeën over bedrijfsvoering en woongenot. In de late achttiende en vroege negentiende eeuw was het losse hoes al grotendeels uit beeld verdwenen door het plaatsen van een scheidingsmuur tussen het woongedeelte en de deel. Er kwam wat meer welvaart, wat vooral tot uitdrukking kwam in het aanzien van het woongedeelte. Oude, als “armoedig” beschouwde vakwerkgevels werden vervangen door stenen gevels, vensters werden vergroot of kregen ramen met grotere ruiten. Soms werd het voorhuis verbreed en voorzien van hogere zijgevels onder opgewipte dakschilden. Zo kwam er ruimte voor kleine slaapkamers, ter vervanging van de bedompte bedsteden. Een andere mogelijkheid tot vergroting van de woonruimte was het naar één of twee zijden uitbouwen van het voorhuis, zodat een krukhuis- of T-vormige opzet ontstond. Dergelijke ingrijpend verbouwde boerderijen herkent men vaak aan de gepleisterde gevels van het voorhuis. De pleisterlaag moest alle verbouwingssporen netjes aan het zicht onttrekken.
Ook het dak onderging veranderingen. Het pannendak verdrong het traditionele rietdak. De rietbedekking verdween echter niet helemaal. Het werd een traditie om alleen de bovenste delen van de dakschilden en de wolfeinden met riet te dekken. Functionele wijzigingen vonden plaats rond het bedrijfsgedeelte. Dit resulteerde in veranderingen in de stalruimten: de potstal werd vervangen door de grupstal; er kwamen grotere stalvensters en men vergrootte de capaciteit door het aan- of bijbouwen van veeschuren en overdekte mestvaalten, elk met een eigen kap. We zien er rond Lochem enkele mooie voorbeelden van (2- en 3-kappers).

In de nieuw gebouwde boerderijen werden de veranderende ideeën over bedrijfsvoering en wonen natuurlijk direct verwerkt. In het begin van de twintigste eeuw zien we de gewoonte ontstaan, om de zijgevels van de boerderij hoger te maken dan vroeger gebruikelijk was. Ook werd het voorhuis (woongedeelte) soms wat smaller opgezet dan de deel, waardoor de zijgevels van de woning nog hoger konden worden gemaakt en meer ruimte boden voor grote vensters. Bijgevolg veranderde de indeling van het woongedeelte, vooral door het verplaatsen van voordeur naar één van de zijgevels.
In de jaren na de Tweede Wereldoorlog kwam de modernisering van het Nederlandse platteland in een stroomversnelling. Dit is duidelijk afleesbaar aan de boerderijen. Deze werden steeds ingrijpender gemoderniseerd. Moderne bouwmaterialen en bouwtechnieken verdrongen het traditionele materiaal en elementen uit de moderne burgerwoonhuisbouw drongen het boerenhuis binnen. Oude schouwen verdwenen, gevels kregen grote “doorzonvensters”, de indeling van de woongedeelten werd aangepast, men vergrootte de kamers en ook de zolderverdieping werd gedeeltelijk in gebruik genomen. Ook kwam het nog al eens voor dat de oude boerderij tegen de vlakte ging en vervangen werd door een moderne bungalow. Of men liet de oude boerderij staan en verbouwde deze tot schuur. Op veel erven verrezen grootschalige moderne veestallen en andere bijgebouwen, die het oorspronkelijke karakter van het platteland danig veranderden.

Grote veranderingen bracht de trek van burgers naar het landelijke gebied. Zij vestigden zich in de oude boerderijen, die hun functie hadden verloren en vormden deze om tot aantrekkelijke landhuizen. Soms gebeurde dit met veel respect voor de traditionele bouwkunst (restauratie, reconstructie), vaker betekende het een behoorlijke aanslag op het authentieke karakter.

Een bijzonder beeld

In de loop der jaren ontstond op deze manier een zeer gevarieerd bebouwingsbeeld van oude en jonge, sterk verbouwde en nog hele gave boerderijen, erven die nog volledig in bedrijf zijn of boerderijen die hun oorspronkelijke functie hebben verloren en tot woonhuis zijn verbouwd. Het buitengebied van Lochem vormt hierop geen uitzondering. Toch bleef hier door het vasthouden van een aantal typische streekeigen bouwkenmerken en soms onbewust voortlevende plaatselijke voorkeuren, een min of meer homogeen beeld bestaan. Het alom vertegenwoordigde hallehuis bepaalt dit beeld. Met zijn hoge afgewolfde zadeldak, vensters met luiken en het erf met zijn bebouwing en beplanting is het overal herkenbaar en vormt het wat betreft de bebouwing de hoofdkarakteristiek van de streek.



Lees en bekijk ook de twee andere artikelen over historische boerderijen:
Rond Verwolde en Laren | Rond de Velhorst en Zwiep





[naar boven]

naar boven


Voor het laatst bijgewerkt: 20 april 2011