Lees en bekijk ook de twee andere artikelen over Stad Lochem:
Stad Lochem | De hooiplukker
Door Fokkelien von Meyenfeldt en Alfred Stern
Het artikel over De Stadsbrand is in de Canon opgenomen als venster 13.
Het leven in een stad bood enerzijds bescherming, maar door de dichte opeenpakking van huizen en mensen waren steden extra kwetsbaar voor rampen, in het bijzonder voor besmettelijke ziekten en brand.
Op 6 april 1615 brandde Lochem vrijwel volledig af. ’s Avonds om acht uur raakte een huis in brand en binnen de kortste keren stond de hele stad in lichterlaaie. De kerktoren brandde uit en de kerk liep enorme schade op. De volgende dag stonden er nog maar enkele huizen overeind.
De Lochemse stadsbrand wordt op 9 april uitvoerig vermeld in het Kerkeraadsboek van Zutphen. De kerkenraad besluit de getroffen Lochemers te ondersteunen met 100 gulden, maar het bedrag wordt niet meteen uitgekeerd. Wel worden twintig bejaarden uit Lochem overgebracht naar de Bornhof in Zutphen en door Zutphen onderhouden. Zutphen wil dat de bejaarden eerst naar Lochem terugkeren, voordat tot uitbetaling wordt overgegaan. Het volgende jaar blijkt uit de rekening van de Lochemse diaconie dat 140 gulden uit Zutphen is ontvangen.
[AFBEELDING 13 B volgt]De ramp werd veroorzaakt door de nalatigheid van één vrouw. Op donderdag 6 september 1615 staat in het memorie- en resolutieboek van het Lochemse stadsbestuur het volgende te lezen:
Alsoe Eeffse Tonhues durch haer versuem gecausirdt den jammerlicken brandt dieser geheeler stadt mitt kercke, toren, raedt, gashueser en sonsten
Met andere woorden, Eeffse heeft de brand veroorzaakt. Haar eest brandde om ontkiemend graan te drogen tot mout, waar vervolgens bier van zou worden gemaakt. Ze was net even weggelopen toen er brand ontstond. Voor dat ‘verzuim’ moet ze boeten:
dat van nu vortaen ten ewigen tijden op den vurgenoemde platze niett sall getimmert ofte bij Eeffse ofte hare kinderen
Kortom, zij en haar nakomelingen mogen hun huis niet meer herbouwen. De plaats in kwestie moet eeuwig een lege plaats blijven. Die eeuwigheid blijkt echter beperkt te zijn, want op 27 februari 1645 mag Egbert Tonhues toch bouwen op de gedoemde plaats.
Het heeft na de brand nog jaren geduurd voor de stad volledig was herbouwd. Voor het stadsbestuur was het bovendien lastig dat vrijwel alle papieren verbrand waren. Een van de weinige stukken die bewaard is gebleven, is het stadsrecht van Lochem van 9 juli 1233.
Lees en bekijk ook de twee andere artikelen over Stad Lochem:
Stad Lochem | De hooiplukker
naar boven
Voor het laatst bijgewerkt: 20 april 2011